القلم
De Pen • 52 verzen • Mekkaans
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
1Noen.[1] Bij de pen en wat zij schrijven.
2Jij (o Mohammed) bent geen dwaas door de gunst van jouw Heer.
3En waarlijk, voor jou zal een eindeloze beloning zijn.
4En waarlijk, jij (o Mohammed) hebt een uitmuntend karakter.
5Jullie zullen het zien en zij zullen het zien.
6Wie van jullie door gekte getroffen is.
7Waarlijk, jouw Heer weet beter, wie van Zijn pad afdwaalt en Hij weet beter wie geleid is.
8Gehoorzaam dus de ontkenners niet!
9Zij willen dat jij compromissen sluit met hen daarom willen zij ook een compromis met jou sluiten.
10En gehoorzaam niet degenen die zweert en die vernederd is.
11Een lasteraar, voortgaand met roddel,
12Het goede verhinderend, overtredend, zondig,
13Wreed – nochtans een bastaard
14Omdat hij weelde en kinderen had [1].
15Als Onze verzen voor hem gereciteerd worden, zegt hij: “Verhaaltjes van de ouderen!".
16Wij zullen hem op de neus branden!
17Waarlijk, Wij hebben hen beproefd zoals Wij de mensen van de tuin beproefd hebben wanneer zij zwoeren de vruchten van de (tuin) in de ochtend te plukken [1].
18Zonder: “Insha’ Allah” (als Allah het wil) te zeggen.
19Toen kwam er iets langs (de tuin) van jullie Heer in de nacht en verbrandde het terwijl zij sliepen.
20Zo werd de (tuin) zwart in de ochtend, zoals een pikdonkere nacht.
21Toen riepen zij elkaar toen de ochtend aanbrak.
22Zeggende: “Ga naar je akker in de ochtend, zodat je het fruit kan plukken.”
23Dus gingen zij op weg, op zachte geheime toon met elkaar sprekend (zeggende):
24“Geen arme zal tot jullie komen tot vandaag”
25En toen zij vastbesloten in de ochtend op weg gingen, denkend dat zij de macht hadden.
26Maar zodra zij (de tuin) zagen, zeiden zij: “Waarlijk, wij zijn afgedwaald.”
27“Nee! Voorwaar wij zijn afgesneden van het goede (door onze onrecht)."
28Eén onder hen zei: “Heb ik jullie niet gezegd, waarom zeggen jullie niet: als Allah het wil.”
29Zij zeiden: “Glorie voor Onze Heer! Waarlijk wij zijn onrechtvaardig geweest.”
30Toen keerden zij zich tegen elkaar, elkaar beschuldigend.
31Zij zeiden: “Wee voor ons! Waarlijk, wij waren de overtreders.
32Wij hopen dat onze Heer ons in ruil een betere (tuin) geeft dan deze. Waarlijk, wij hopen op Allah.”
33Zo is de bestraffing maar waarlijk, de bestraffing van het hiernamaals is groter, als zij dat maar wisten.
34Waarlijk voor de godvrezenden zijn de tuinen der vreugde bij hun Heer.
35Zullen Wij dan de moslims als misdadigers behandelen?
36Wat scheelt jullie? Hoe oordelen jullie?
37Of hebben jullie een boek waardoor jullie leren?
38Dat al jullie wensen beantwoord zullen worden?
39Of hebben jullie eden van Ons, die tot de dag der opstanding reiken, dat er voor jullie dat is wat jullie oordelen.
40Vraag hun wie van hen daar garant voor staat!
41Of hebben zij ‘deelgenoten’? Laat hen hun deelgenoten brengen als zij waarachtig zijn!
42(Gedenk) de dag waarop de scheen bloot zal worden gelegd en zij zullen opgeroepen worden om te knielen maar zij zullen daartoe niet in staat zijn [1].
43Hun ogen zullen neergeworpen worden – vernedering zal hen bedekken; werden zij opgeroepen om te knielen toen zij goed en gezond waren.
44Laat Mij dus alleen met degenen die deze Koran verloochenden. Wij zullen hen geleidelijk aan bestraffen vanuit richtingen die zij niet kunnen waarnemen.
45En Ik zal hun uitstel geven. Waarlijk Mijn plan is machtig.
46Of is het dat jij van hen een loon vraagt, zodat zij zwaar gebukt onder de schuld gaan?
47Of dat de het onwaarneembare in hun handen is, zodat zij het op kunnen schrijven?
48Wees geduldig met het oordeel (zowel het Islamitische oordeel of het voorbeschikte oordeel) van jouw Heer, en wees niet zo als de metgezel van de vis (de profeet Yoenoes), - toen hij riep terwijl hij diep bedroefd was (de genezing van verdriet is jouw band met Allah versterken en veel je hart bij Allah luchten door het verrichten van smeekbede, dhikr en vrijwillige aanbiddingen).
49Als de gunst van zijn Heer hem niet bereikt had, zou hij zeker, dus hij werd op de naakte kust geworpen; terwijl hij schuldig was.
50Maar zijn Heer koos hem uit en maakte hem tot een rechtvaardige.
51En waarlijk, degenen die ongelovig zijn zouden je bijna door hun blikken willen doden vanwege hun haat wanneer zij de overdenking horen en zeggen: “Waarlijk, hij is een gek!”
52Maar het is niets anders dan een vermaning voor allen van de werelden.