الشعراء
De Dichters • 227 verzen • Mekkaans
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
1Ta, Siem, Miem.[1]
2Dit zijn de verzen van een duidelijk boek.
3Het kan zijn dat jij jezelf zult vernietigen door verdriet omdat zij geen gelovigen worden.
4Als Wij gewild zouden hebben, dan hadden Wij uit de hemel een teken kunnen sturen waarvoor zij hun nekken in nederigheid zouden buigen.
5En er komt van de Barmhartige geen vermaning als openbaring of zij keren zich daarvan af.
6En voorzeker, zij hebben het ontkent, dus zal het nieuws waarover zij gespot hebben tot hen komen.
7Bekijken zij de aarde dan niet – hoeveel goede soorten Wij daarop hebben laten groeien?
8Waarlijk, hierin is een teken maar de meesten van hen zijn geen gelovigen.
9En waarlijk, jullie Heer! Hij is echt de Almachtige, de Genadevolle.
10En (gedenk) toen jullie Heer Moesa riep (zeggende): “Ga naar het volk dat onrechtvaardig is, -
11Het volk van Farao. Zullen zij Allah dan niet vrezen en rechtgeleid worden?”
12Hij zei: “Mijn Heer! Waarlijk, ik vrees dat zij mij zullen verloochenen,
13En dat mijn borst beklemd raakt en dat mijn tong zich niet goed uit. Laat Haaroen dus komen (hier zien we het belang van een persoon die steun geeft in het geloof, zeer belangrijk voor elke moslim).
14En zij beschuldigen mij van een misdaad, en ik ben bang dat zij mij zullen doden.”
15Allah zei: “Nee! Gaan jullie beiden met Onze tekenen na de Farao. Waarlijk! Wij zullen bij jullie zijn, luisterend [1].
16En wanneer jullie beiden tot de Farao komen zeg: “Wij zijn de Boodschappers van de Heer van de werelden.
17Laat dus de Kinderen van Israël met ons mee gaan.”
18(Farao) zei: “Hebben wij jou niet als kind van ons opgevoed? En jij hebt vele jaren van je leven bij ons mogen wonen.
19En je hebt je daad gepleegd, wat je gedaan hebt. En jij bent één van de ondankbaren.”
20Moesa zei: “Ik heb het gedaan toen ik onwetend was (voor de openbaring).
21Dus vluchtte ik van jullie toen ik jullie vreesde. En toen heeft mijn Heer mij wijsheid geschonken en mij als één van de boodschappers aangewezen.
22En dit is een vroegere gunst die jij mij verwijt – dat u de Kinderen van Israël tot slaven heeft gemaakt (en mij niet).”
23Farao zei: “En wie is de Heer van de werelden?”
24Moesa zei: “De Heer van de hemelen en de aarde en alles wat daartussen is, indien jullie overtuigd zijn.”
25Farao zei tegen degenen om hem heen: “Horen jullie niet (wat hij zegt)?”
26Moesa zei: “Jullie Heer en de Heer van jullie voorvaderen!”
27Farao zei: “Waarlijk, jullie boodschapper die naar jullie toe is gestuurd is een dwaas!”
28Moesa zei: “De Heer van het oosten en het westen en alles wat daar tussen is, als jullie dat kunnen begrijpen.”
29Farao zei: “Als je een god anders dan mij kiest, zal ik je zeker onder de gevangenen plaatsen.”
30Moesa zei: “En als ik je iets duidelijks breng (een teken).”
31Farao zei: “Breng het dan, als je waarachtig bent!”
32Dus gooide (Moesa) zijn stok en zie, het was een duidelijke slang.
33En hij stak zijn hand uit en zie, voor alle toeschouwers was het wit!
34(Farao) zei tegen de gezagdragers om hem heen: “Waarlijk! Dit is inderdaad een goed onderrichte tovenaar.
35Hij wil jullie door zijn toverkunst uit jullie land verdrijven, wat is dan jullie raad en wat bevelen jullie aan?”
36Zij zeiden: “Geef hem en zijn broer uitstel en stuur boodschappers naar de steden;
37Om uw best getrainde tovenaars te verzamelen.”
38Dus werden de tovenaars op een vastgestelde tijd op een aangewezen dag verzameld.
39En er werd tegen het volk gezegd: “Verzamelen jullie je (ook)?
40Zodat wij de tovenaars kunnen volgen als zij de winnaars zullen zijn.”
41Toen de tovenaars dus aankwamen zeiden zij tegen Farao: “Zal er echt een beloning voor ons zijn als wij de winnaars zijn?”
42Hij zei: “Ja, en jullie zullen zeker tot degenen behoren die in (mijn) nabijheid worden gebracht.”
43Moesa zei tegen hen: “Gooien jullie wat jullie zullen gooien.”
44Dus gooiden zij hun touwen en stokken en zeiden: “Bij de macht van de Farao, wij zijn het die zeker zullen winnen!”
45Toen gooide Moesa zijn stok en zie, het slikte alle valsheid wat zij lieten zien, door!
46En de tovenaars wierpen zich ter aarde (uit grootheid voor Allah toen zij beseften dat zij fout waren)
47Zegende: “Wij geloven in de Heer van de werelden.
48De Heer van Moesa en Haaroen.”
49(Farao) zei: “Jullie hebben in Hem geloofd voordat ik jullie daarvoor toestemming gaf. Zeker Hij is inderdaad jullie meester die jullie jullie toverkunsten heeft onderricht! Dus waarlijk, jullie zullen het te weten komen. Waarlijk, ik zal jullie handen en voeten van tegengestelde kanten afhakken en ik zal jullie allemaal kruisigen.”
50Zij zeiden: “Geen punt? Waarlijk tot onze Heer zullen wij terugkeren;
51Waarlijk, wij hopen echt dat onze Heer onze zonden zal vergeven want wij zijn de eerste van de gelovigen.”
52En Wij openbaarden aan Moesa, zeggende: “Neem Mijn slaven in de nacht weg, waarlijk jullie zullen vervolgd worden.”
53Toen stuurde Farao boodschappers naar (alle) steden (om zijn leger te verzamelen).
54(Zeggende): “Waarlijk! Dit is zeker niet anders dan een kleine groep.
55En waarlijk, zij hebben gedaan wat ons woedend heeft gemaakt;
56En wij zijn een goed bewapend, vooruit gewaarschuwd leger.”
57Dus hebben Wij hen van de tuinen en de bronnen verbannen,
58En schatten en alle soorten edele plaatsen.
59En zo lieten Wij de Kinderen van Israël het beërven.
60Dus vervolgden zij hen bij de zonsopkomst.
61En toen de twee groepen elkaar zagen, zei het volk van Moesa: “Wij zijn zeker dat wij ingehaald worden.”
62“Welnee (zei Moesa)! Waarlijk, mijn Heer is met mij (en het is) Hij Die mij zal leiden (naar het pad van de bevrijding).”
63Toen openbaarden Wij aan Moesa (zeggende): “Sla met jouw stok tegen de zee.” En het spleet en ieder afzonderlijk deel werd als een grote stevige massa van een berg.
64En vervolgens brachten Wij de anderen nabij.
65En Wij redden Moesa en ieder die bij hem waren.
66Toen verdronken Wij de anderen.
67Waarlijk! Hierin is zeker een teken maar de meesten van hen zijn geen gelovigen.
68En waarlijk, jullie Heer! Hij is waarlijk de Almachtige, de Genadevolle.
69En reciteer aan hen het verhaal van Ibraahiem.
70Toen hij tegen zijn vader en zijn volk zei: “Wie aanbidden jullie?”
71Zij zeiden: “Wij aanbidden afgoden en aan hen zijn wij altijd toegewijd.”
72Hij zei: “Horen zij jullie als jullie (hen) aanroepen?”
73Of hebben jullie er baat bij of schaden zij (jullie)?”
74Zij zeiden: “Nee, maar onze vaders deden het ook.”
75Hij zei: “Hebben jullie datgene wat jullie aanbidden goed bekeken, -
76Jullie en jullie voorvaders?”
77Waarlijk! (Al datgene zij buiten Allah aanbidden) zijn vijanden van mij behalve de heer van de werelden.
78Degene die mij (in de beste vorm) heeft geschapen, en het is (enkel) Hij Die mij leidt (naar een bewustzijn van het pad der goedheid).
79En het is Hij (de Voorziener en Begunstiger) Die mij te eten en te drinken geeft.
80En als ik ziek ben, is het (niemand anders dan) Hij Die mij geneest (van ziektes zowel geestelijk als lichamelijk en de ziektes van het hart).
81En (het is Hij) Die mij laat sterven (zodra mijn tijd erop zit), en mij vervolgens levend (uit mijn graf) doet herrijzen.
82Degene waar ik op hoop dat hij mijn fouten op de Dag der Vergoeding vergeeft.
83Mijn Heer! Geef mij wijsheid en voeg mij bij de rechtvaardigen;
84En laat mij door de volgende generaties in eerbaarheid herinnerd worden;
85En maakt mij tot de beërfers van het paradijs van de vreugde.
86En vergeef mijn vader, waarlijk hij behoort tot degenen die dwalend zijn;
87En verneder mij niet op de Dag wanneer (alle schepselen) zullen herrijzen,-
88De Dag waarop noch weelde noch zonen zullen baten.
89Behalve degene die bij Allah aankomt met een gezond hart.
90En het paradijs zal in de nabijheid van de godvrezenden gebracht worden.
91En het (helle) vuur zal in het volle aangezicht van de dwalenden geplaatst worden.”
92En er zal tegen hen gezegd worden: “Waar zijn zij die jullie aanbaden,
93Behalve Allah? Kunnen zij jullie helpen of zichzelf helpen?”
94Dan zullen zij op hun gezichten in het (vuur) geworpen worden – Zij en de duivels en degenen die zondigden.
95En samen met het hele leger van Iblies.
96Zij zullen zeggen terwijl zij twisten,
97“Bij Allah, wij hebben zeker een duidelijke dwaling gemaakt (in ons leven).
98Toen wij jullie (valse goden) gelijk aan de Heer van de wereldwezens stelden[1].
99En niemand heeft ons doen afdwalen behalve de misdadigers (neem daarom een vriend die jou steun geeft op de weg naar Allah).
100Nu hebben wij geen bemiddelaars,
101Noch een naaste vriend.
102(Helaas!) Als wij slechts een kans hadden om terug te keren, zullen wij zeker onder de gelovigen zijn!
103Waarlijk, hierin is zeker een teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen.
104En waarlijk, jouw Heer! Hij is waarlijk de Almachtige, de Genadevolle.
105Het volk van Noeh verloochende de Boodschappers.
106Toen hun broeder Noeh tegen hen zei: “Zullen jullie Allah niet vrezen en Hem gehoorzamen?
107Ik ben voor jullie een betrouwbare boodschapper.
108Vrees Allah dus en gehoorzaam mij.
109Ik vraag jullie hiervoor geen beloning, mijn beloning is slechts van de Heer van de werelden.
110(Onderhoud jullie verplichting tot Allah), vrees Hem en gehoorzaam mij.”
111Zij zeiden: “Zullen wij jou geloven terwijl de laagste mensen jou volgen?”
112Hij zei: “En wat voor kennis heb ik over dat wat zij deden?”
113Hun verrekening is slechts bij mijn Heer, als jullie dat (maar) wisten.
114En ik ben niet van plan de gelovigen te verjagen.
115Ik ben slechts een duidelijke waarschuwer.”
116Zij zeiden: “Als jij niet stopt, Noeh. Dan zou je je zeker onder degenen die gestenigd zijn, bevinden.”
117Hij zei: “Mijn Heer! Waarlijk, mijn volk heeft mij verloochend.
118Oordeelt U daarom tussen hen en mij en red mij en degenen van de gelovigen die met mij zijn.”
119Vervolgens redden wij hem en degenen die bij hem waren in een volgeladen schip.
120Toen verdronken Wij de anderen nadat degenen die achter bleven gered waren.
121Waarlijk, hierin is zeker een teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen.
122En waarlijk! Jullie Heer is zeker de Almachtige, de Genadevolle.
123Het volk van ‘Ad verloochende de boodschappers.
124Toen hun broeder Hoed tegen hen zei: “Zullen jullie Allah niet vrezen en Hem gehoorzamen?”
125Waarlijk, ik ben een betrouwbare boodschapper voor jullie.
126Vrees Allah dus en gehoorzaam mij.
127Ik vraag van jullie geen beloning voor. Mijn beloning is slechts van de Heer van de werelden.
128Bouwen jullie op elke hoge plaats paleizen zonder doel?
129En nemen jullie voor jullie zelf paleizen alsof jullie daar voor altijd in zullen wonen.
130En als jullie grijpen, grijpen jullie als tirannen?
131Vrees Allah dus en gehoorzaam mij.
132vrees degene Die jullie geholpen heeft met alle (goede zaken) die jullie kennen.
133Hij heeft jullie versterkt met vee en kinderen (waarom dan ondankbaar?).
134En tuinen en bronnen.
135Waarlijk, ik vrees voor jullie voor de bestraffing van een Grote Dag.”
136Zij zeiden: “Het maakt ons niet uit of jij preekt of niet tot degenen die preken behoort.
137Dit is niets anders dan de gewoonte van de ouderen van vroeger. [1]
138En wij zullen niet gestraft worden.”
139Dus verloochenden zij hem en Wij vernietigenden hen. Waarlijk! Hierin is zeker een teken maar de meesten van hen waren geen gelovigen.
140En waarlijk! Jullie Heer is zeker de Almachtige, de Genadevolle.
141(Het volk van) Thamoed verloochenden de Boodschappers.
142Toen hun broeder Saleh tot hen zei: “Zullen jullie Allah niet vrezen en Hem gehoorzamen?”
143Ik ben een betrouwbare boodschapper voor jullie.
144Vrees Allah dus en gehoorzaam mij.
145Ik vraag van jullie geen beloning voor, mijn beloning is slechts van de Heer van de werelden.
146Zijn jullie niet veilig achtergelaten met wat jullie hier hebben?
147In tuinen en bronnen
148En korenvelden en dadelpalmen met zachte bloeikolf.
149En jullie hakken met grote vaardigheid huizen uit bergen.
150Vrees Allah dus en gehoorzaam mij.
151En volg niet het bevel van de buitensporigen.
152Die verderf in het land veroorzaken en het niet herstellen.”
153Zij zeiden: “Jij ben slechts één die behekst is!
154Jij bent niets anders dan een mens zoals wij. Geef ons dan een teken als je tot de waarachtige behoort.”
155Hij zei: “Hier is een kamelin; zij heeft het recht om (water) te drinken, en jullie hebben het recht om (water) te drinken, (ieder) op een dag die bekend is.
156Raak haar niet aan om haar te kwetsen opdat jullie niet door de bestraffing op de Grote Dag gegrepen worden.”
157Maar zij slachtten haar en toen kregen zij spijt (door de straf die daardoor kwam).
158Dus de bestraffing kwam over hen. Waarlijk, hierin is zeker een teken maar de meesten van hen waren geen gelovigen.
159En waarlijk! Jouw Heer is zeker de Almachtige, de Genadevolle.
160Het volk van Loet verloochende de boodschappers.
161Toen hun broeder Loet tegen hen zei: “Vrezen jullie Allah dan niet?
162Waarlijk! Ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper.
163Vrees Allah dus en gehoorzaam mij.
164Ik vraag jullie hier geen beloning voor, mijn beloning is slecht bij de Heer van de werelden.
165Benaderen jullie de mannen van de werelden [1].
166En laten jullie degenen die Allah voor jullie als echtgenotes geschapen heeft (links liggen)? Welnee, jullie zijn een overtredend volk!"
167Zij zeiden: “Als je niet stopt, O Loet! Waarlijk, dan zul jij zeker behoren tot één van degenen die verdreven zullen worden!”
168Hij zei: “Ik ben zeker één van degenen die jullie (kwade) daad van (sodomie) verwerpt.
169Mijn Heer! Red mij en mijn familie tegen wat zij doen.”
170Dus redden Wij hem en zijn familie, allen, -
171Behalve een oude vrouw (de vrouw van Loet) onder degenen die achterbleven.
172Hierna vernietigden Wij de anderen.
173En Wij lieten op hen een regen vallen (van stenen). En hoe kwaad was de regen van degenen die gewaarschuwd waren.
174Waarlijk, hierin is zeker een teken maar de meesten van hen waren geen gelovigen.
175En waarlijk! Jullie Heer is zeker de Almachtige, de Genadevolle.
176De bewoners van Al-Aiyka verloochenden hun boodschappers.
177Toen Shoe’aib tegen hen zei: “Zullen jullie Allah dan niet vrezen?
178Ik ben voor jullie een betrouwbare boodschapper.
179Vrees Allah dus en gehoorzaam mij.
180Ik vraag jullie hier geen beloning voor, mijn beloning is slecht bij de Heer van de werelden.
181Geef het volle maat en veroorzaak geen vermindering.
182En weeg met een goede en eerlijke weegschaal.
183Bedrieg de mensen niet door hun zaken te verminderen, noch doe kwaad, veroorzaak corruptie en ellende in het land.
184En vrees Hem Die jullie geschapen heeft en de generaties van voorheen.”
185Zij zeiden: “Jij bent slechts één van de beheksten!
186Jij bent slechts een mens zoals wij en waarlijk, wij denken dat jij één van de leugenaars bent!
187Laat dus een stuk van de hemel op ons vallen als je tot de waarachtigen behoort!”
188Hij zei: “Mijn Heer is Alwetend over wat jullie doen.”
189Maar zij verloochenden hem, dus de bestraffing van de dag van de schaduw greep hen, voorwaar dat was de bestraffing van een geweldige dag.
190Waarlijk hierin is zeker een teken maar de meesten van hen waren geen gelovigen.
191En waarlijk! Jullie Heer is zeker de Almachtige, de Genadevolle.
192En waarlijk, dit is een openbaring van de Heer van de werelden.
193Waarmee de betrouwbare ziel (Djibriel) neerdaalde.
194Op jouw hart, dat je één van de waarschuwers moge zijn [1].
195In de duidelijke Arabische taal.
196En waarlijk, het is (aangekondigd) in de Boeken van vroegere volkeren.
197Is het geen teken voor hen dat de geleerden van de Kinderen van Israël het als (waarheid) kenden?
198En als Wij het hadden geopenbaard aan één van de niet-Arabieren,
199En hij had het voor hen gereciteerd, dan zouden zij het niet geloofd hebben.
200En zo hebben Wij ervoor gezorgd dat het (ongeloof) de harten van de misdadigers binnentrad [1].
201Zij zullen er niet in geloven totdat zij de pijnlijke bestraffing zien.
202Het zal plotseling tot hen komen, terwijl zij het niet beseffen.
203Dan zullen zij zeggen: “Kunnen wij uitstel krijgen?”
204Zouden zij dan wensen dat Onze Bestraffing bespoedigd werd?
205Zien jullie het dan niet als Wij hen nog jaren laten genieten,
206En daarna komt tot hen die (bestraffing) die hen beloofd was!
207Alles waarvan zij genoten zal voor hen niet nuttig zijn (het zal hun niet redden).
208En nooit hebben Wij een stad vernietigd zonder dat er waarschuwers waren –
209Door een herinnering, en nooit waren Wij onrechtvaardig.
210En het zijn niet de duivels die het (de Koran) hebben neergedaald.
211Het zou hen (trouwens) niet passen, noch zouden zij daartoe in staat zijn.
212Voorwaar, het afluisteren van (de engelen) hun woorden was uitgesloten (d.m.v. vlammende sterren).
213Aanroep dus niet bij Allah een andere god omdat je tot degene zal behoren die een bestraffing zullen krijgen.
214En waarschuw je naaste verwanten.
215En verlaag je vleugens (wees nederig) voor de gelovigen die jou volgen.
216En als zij jou niet gehoorzamen zeg: “Ik distantieer mij van wat jullie doen (als wij de Soennah als een spelletje zien dan zal de Profeet zich van ons distantieren, dus geen voorspraak op de dag des oordeels!)."
217En leg je vertrouwen in de Almachtige, de Genadevolle, -
218Degene die jou ziet wanneer je opstaat (voor het nachtgebed, dit is zeer belangrijk, ook al is het maar één keer per week).
219En jullie bewegingen onder degenen die neerknielen.
220Voorwaar! Hij, alleen Hij, is de Alhorende, de Alwetende.
221Zal ik jullie vertellen op wie de duivels neerdalen?
222Zij dalen neer op elke leugenaar en zondig persoon.
223Die gehoor geeft, en de meesten van hen zijn leugenaars.
224En de dichters, de dwalenden volgen hen,
225Zie je dan niet dat zij in iedere vallei over ieder onderwerp spreken in hun gedichten? –
226En dat zij zeggen wat zij niet doen.
227Behalve degenen die geloven en goede daden verrichten en Allah veelvuldig gedenken. En zij die het goed maken na het plegen van onrecht. En betreft de onrechtpleger (die geen eerlijk berouw tonen) zullen er gauw achter komen tot welke plaats hun (uiteindelijke) terugkeer zal zijn.